De muziek van de Ainu, de inheemse bewoners van het eiland Hokkaido in het noorden van Japan, was nog nooit in Nederland te horen. Tot gisteravond dan, toen twee Ainuvrouwen het podium van De X in Leiden betraden om het nieuwsgierige publiek anderhalf uur lang mee te nemen op een virtuele rondreis door hun rijke muzikale traditie.
door Ton Maas (tekst en foto’s)
De spreekstalmeester van dienst verwoordde het perfect door nog eens te benadrukken dat De X in Leiden inmiddels het enige podium speciaal voor wereldmuziek in Nederland is. ‘En we houden dapper stand!’ voegde hij er met een glimlach aan toe. Want bijzonder is het, en tegelijk ook triest. Want sinds de sluiting van zowel het Tropentheater in Amsterdam als RASA in Utrecht is het aanbod aan wereldmuziek in ons land behoorlijk verschraald. En wat er aan 'wereldmuziek' door de reguliere theaters wordt aangeboden, is toch vaak vooral dansbaar spul met een exotisch tintje en geen onversneden traditie. Bovendien hebben ook de resterende festivals het niet gemakkelijk. De Music Meeting in Nijmegen krijgt elk jaar weer minder subsidie en het Houtfestival veranderde in de richting van een gezinsuitje met steeds minder avontuurlijke programmering. Voor avontuur kun je nog wel terecht bij Le Guess Who in Utrecht, maar alleen met een duur passe partout voor het hele evenement en bovendien in een grabbeltonformat, dus zonder dat er veel informatieve context wordt verschaft. Grote uitzondering op de regel is het Afrikafestival in Hertme, dat nog altijd hoge kwaliteit biedt. Maar zoals de naam al aangeeft, kun je er alleen terecht voor Afrikaanse of Afrika-gerelateerde muziek.
Japan – grote onbekende op wereldmuziekpodia
Terug naar Leiden, waar De X zoals gezegd dapper standhoudt. En hoe! Want een optreden als dat van gisteravond mag met recht uniek in wereldmuziekland worden genoemd. Want om te beginnen speelt Japan als land daar nauwelijks een rol van betekenis. Niet omdat het land niets interessants te bieden zou hebben – allesbehalve dat – maar omdat de Japanse overheid in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Koreaanse geen geld wenst te steken in culturele exportsubsidies. Het is dus vaak te duur om Japanse artiesten helemaal naar hier te laten komen voor optredens. Zelfs op de WOMEX, het jaarlijkse showcasefestival waar telkens vijftig geselecteerde artiesten of groepen zich mogen presenteren aan ‘shoppende’ festivalprogrammeurs en theaterboekers, is de afgelopen kwart eeuw welgeteld één Japanse showcase te zien geweest (van Shinishi Kinoshita en zijn kwartet), en verder een Amerikaans-Japans samenwerkingsproject (van gitarist Bob Brozman met Takashi Hirayasu uit Okinawa).
Gedwongen assimilatie en verlies van cultuur
Net als veel andere inheemse volken zijn de Ainu sinds de kolonisatie van hun leefgebied door Japan en later Rusland (ook het eiland Sakhalin en de Koerillen behoren ertoe) zwaar onderdrukt. Ze werden gedwongen te assimileren en hun cultuur op te geven. Onder de ruim 200.000 resterende Ainu waren er in de jaren tachtig nog geen honderd die de eigen taal machtig waren en slechts vijftien die er dagelijks gebruik van maakten. Maar sinds de Ainucultuur in Japan als inheems erfgoed wordt erkend, is er een actieve emancipatiebeweging die ook probeert de eigen taal weer nieuw leven in te blazen.
Het hart op de juiste plaats
Het mag dus eigenlijk een wonder heten dat Kapiw (spreek uit: kapiéuw) en Apappo Ainuliederen en -melodieën en zelfs authentieke instrumenten konden laten horen en zien, met als pronkstuk de tonkori. Dat is een langwerpige harpluit met vijf snaren, die met de vingers van beide handen worden getokkeld. Apappo legde in zeer gebrekkig maar zeer aandoenlijk Engels uit hoe de tonkori het menselijk lichaam weerspiegelt, met het hoofd (het ronde ornament boven de stemknoppen), de hals en daaronder het lichaam. Terwijl Kapiw vervolgens haar instrument heen en weer bewoog, waarbij je iets kon horen rammelen in de klankkast, probeerde Apappo uit te leggen waar het bewuste balletje voor stond. Wanhopige handgebaren in de lucht ontlokten vanuit de zaal de kreet ‘hart’. ‘Ah yes, heart!’ Met een beetje samenwerking kom je een heel eind.
Wonderlijke tweestemmigheid
De instrumentale muziek van de Ainu bleek vervolgens opvallend repetitief en deed af en toe denken aan de minimal music van componisten als Philip Glass, met name uit diens begintijd: simpele motieven die steeds herhaald worden met kleine variaties. Bij de Ainu schuilt het raffinement vooral in de versieringen en ritmische tegenaccenten. Intrigerender nog is de zang van de Ainu, vooral als de melodielijnen door elkaar worden gevlochten tot een wonderlijke vorm van meerstemmigheid. Omdat er letterlijk geen woord van te verstaan was, viel het muzikale aspect van de tekst des te meer op. De in westerse oren nogal vreemde stembuigingen waren niet van de lucht. Veel van de liederen worden begeleid door simpel handgeklap. Slechts een enkele keer werd een van de tonkori’s daarbij ingezet. Behalve tweestemmig zingen werd er ook simultaan op twee mondharpen gespeeld, wat dankzij bijzondere resonantietechnieken een fascinerend klankbeeld opleverde. Na een heel lang aangehouden applaus kwamen de dames uiteindelijk terug uit de kleedkamer en gaven een welverdiende toegift van maar liefst twee extra stukken.
PS. Ik dacht mijn nieuwe camera inmiddels onder de knie te hebben, maar bleek de automatische instelling van de lichtgevoeligheid niet van een bovengrens te hebben voorzien. Vandaar de extreme ruis in de foto’s. Volgende keer beter!










