ambitie en werkelijkheid Jair Tchong - zondag 8 maart, 2015

birdman

Wat motiveert de podiumkunstenaar? Waarom werkt men in de culturele sector? Alejandro González Iñárritu's speelfilm Birdman en Kees 't Harts roman Teatro Olimpico nemen ieder op eigen wijze dit aloude vraagstuk op. Hilarisch en messcherp levert dat heel wat ongemakkelijke momenten op voor wie zelf werkt in de cultuur.

In Birdman poogt de ietwat verlopen Hollywoodster Riggan Thomson (Michael Keaton), wiens faam berust op het cartooneske personage Birdman, artistieke geloofwaardigheid te verkrijgen middels een eigenhandig geënsceneerde Broadway-productie. In de claustrofobische kleedkamers en gangen van het theater wordt Thomson langzaam maar zeker waanzinnig: productionele rampen en persoonlijk leed volgen elkaar in een adembenemend tempo (en dito camerawerk) crescendogewijs op.

Thomsons ex-vrouw, puberdochter, genadeloze producer en vooral de jonge steracteur (Edward Norton als Mike), die Thomson louter vanwege diens hoedanigheid als kassamagneet strikt, storten de hoofdpersoon in een hellevaart vol vileine typeringen van fenomenen in de theaterwereld. Geen spoiler hier waar dit eindigt, gaat dat zelf zien.

In een prachtige, cruciale dialoog laat Iñárritu verbaal de degens kletteren tussen Thomson en een New York Times-toneelcritica. Eerst maakt de critica gehakt van Thomsons artistieke ambities, in een betoog waarin de Hollywood entertainmentindustrie wordt gefileerd. Parafraserend: acteren is een vak, een ambacht dat jarenlange ervaring veronderstelt - geen vehikel om jezelf een artistiek aura mee te kunnen verschaffen. Hollywood staat hier diametraal tegenover en symboliseert alles wat vies en voos is in dit ondermaanse.

Even vilein maakt Thomson vervolgens de critica met de grond gelijk: wat behelst iemand om überhaupt criticus te willen zijn? Gesneefde artistieke ambities, snobisme, geldingsdrang en machtswellust. Aan het eind van de dialoog zijn beide opponenten gereduceerd tot smeulende hoopjes as.

Deze centrale dialoog speelde ook steeds door mijn hoofd bij het lezen van Kees 't Harts Teatro Olimpico. In briefvorm verhaalt een Haagse theatermaker over zijn rampzalige onderneming om een Nederlandse theaterproductie over Rousseau in Italië te produceren. Onder een spervuur van culturele misverstanden en daverende malversaties tekent 't Hart een kroniek van een aangekondigde catastrofe.

Zowel film als boek laten hierbij in het midden wat deze types nu eigenlijk ten diepste drijft. Zeker, ijdelheid is een krachtige motor, die door zowel de regisseur als de romancier hilarisch worden gepersifleerd, maar dat is niet het volledige beeld. Zowel de vervallen Hollywoodster als de uit blinde ambitie bestaande theatermaker raken juist ook een gevoelige snaar bij de toeschouwer. Ternauwernood gecontroleerde gekte die sublimeert in iets van universele waarde - zou dat het dan uiteindelijk zijn?

Uit: Teatro Olimpico
"Over dramaturgie hadden we het met Jim nooit gehad, die functie probeerden we van de begroting af te voeren. We wilden er geen dramaturg bij, omdat dramaturgen alleen theoriegestuurd konden kijken, terwijl ze dat nog in alle toonaarden ontkenden ook."


meer blogs
Ton Maas - 11 februari, 2019
Ton Maas - 27 augustus, 2018
Ton Maas - 31 juli, 2018
Ton Maas - 30 juni, 2018
Ton Maas - 27 juni, 2018
Jair Tchong - 24 juni, 2018
Ton Maas - 13 mei, 2018
Bram Posthumus - 6 mei, 2018